Artikel 3 komt te luiden:
Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
- 1.
giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand of een Wmo voorziening verstrekt had kunnen worden;
- 2.
giften van charitatieve instellingen en gemeenten;
- 3.
giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;
- 4.
giften waarmee probleemschulden worden betaald;
- 5.
giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, met een waarde tot maximaal €1.200,- per jaar.