Historie Oegstgeest in vogelvlucht
Carla de Glopper, medewerker oud-archief beschrijft de historie van Oegstgeest in vogelvlucht in het artikel "Oegstgeest van heerlijkheid tot forensenplaats". Dit artikel staat ook in de gemeentegids.
De naam Oegstgeest
De naam Oegstgeest verwijst naar de geestgronden, die overigens in de zeventiende eeuw werden afgegraven voor de stadsuitbreidingen van Leiden. Over de herkomst van 'Oegst' bestaat onduidelijkheid. Er bestaan hierover twee theorieën:
- De naam werd in het verleden ook vaak gespeld als 'Oestgeest' of 'Oostgeest' en zou dus kunnen verwijzen naar de geografische ligging van ons dorp: ten oosten van de geestgronden.
- De oudst aangetroffen spellingswijze luidt 'Osgeresgeist'. Dit zou erop kunnen duiden dat de geestgronden ooit bezit waren van een man, Osger of Ansgar geheten. Deze spelling is gevonden in een kopie van een goederenlijst van de Sint-Maartenskerk te Utrecht uit de tiende eeuw.
In de Middeleeuwen sprak men ook wel van de kerk van Kerkwerve als men de Oegstgeester parochiekerk bedoelde, het huidige Groene Kerkje.
Inwoners
Vroegste bewoningssporen
In de tweede eeuw na Christus was hier al een Bataafse nederzetting gevestigd. Sporen daarvan zijn in 1946 aangetroffen in een uitloper van een oude strandwal in de Elsgeesterpolder. Oegstgeest behoort tot één van de vroegst bewoonde plekken van ons kustgebied. Achter de jonge zeeduinen kon men hier op de geestgronden betrekkelijk veilig wonen zonder voortdurend overstromingsgevaar.
Constante bewoning?
Bij recente opgravingen in Nieuw-Rhijngeest is gebleken dat het grondgebied van Oegstgeest ook bewoond is geweest na de Bataafse nederzetting uit de tweede eeuw na Christus. In de negende eeuw stond op de plaats van het huidige Groene Kerkje een volgens de legende door Willibrord gewijd kerkje. De aanwezigheid van dit kerkje en van bezittingen van de Sint-Maartenskerk te Utrecht doen vermoeden dat hier voor toenmalige begrippen tamelijk veel mensen woonden.
In de schaduw van Leiden
Van de elfde tot de veertiende eeuw heeft Oegstgeest een periode van vooruitgang beleefd. Toen Leiden als stad opkwam werd de vooruitgang onderbroken. Leiden stuitte Oegstgeest in zijn ontwikkeling door belemmering 'van nering en ambacht' en het weren van bebouwing op zekere afstand van de stad. De bevolking ging achteruit. De ambachten Oegstgeest en Poelgeest konden hun belasting niet meer voldoen en werden daarom door de graaf van Holland in 1399 verenigd.
Meer koeien dan kinderen
Rond 1500 was Oegstgeest een armoedig plaatsje met slechts veertig woningen. Het waren er 25 jaar later zelfs nog maar 25 met in totaal circa tweehonderd inwoners. De bewoners hielden zich vooral bezig met landbouw en veeteelt op gronden die meestal eigendom waren van grote abdijen en kerken of van adellijke heren of rijke burgers uit Leiden. Dit zou nog eeuwen zo blijven.
Aan het begin van de negentiende eeuw telde het toen uitgestrekte Oegstgeest slechts zo'n 850 inwoners. Er waren meer koeien dan kinderen! De helft van de inwoners was rooms-katholiek, de andere helft hervormd.
Stormachtige ontwikkeling
Oegstgeest maakte een stormachtige ontwikkeling door van agrarische gemeenschap naar forensenplaats. Door de bouw van nieuwe wijken konden veel mensen die hun werk hadden in Oegstgeest zelf, Leiden, Amsterdam of Den Haag hier woonruimte vinden.
Rond 1900 bepaalde de bloembollencultuur nog mede het aanzien van de omgeving van ons dorp. Het inwoneraantal was toen al wel aanzienlijk gestegen. Begin 1896 telde de gemeente circa 4300 inwoners. Door annexaties van Oegstgeester grondgebied in 1896 en 1920 ging het inwonertal beide keren even fors achteruit, maar daarna verliep de groei steeds sneller.
Met de nieuwe wijk Poelgeest is het inwonertal nu al gestegen boven 22.000.
Bestuur
Heerlijke rechten
De ambachtsheerlijkheden Oegstgeest en Poelgeest bestonden al in de tiende eeuw. In 1399 werden ze door hertog Albrecht als graaf van Holland tot één verenigd. Tot 1 september 1858 luidde de gemeentenaam officieel Oegst- en Poelgeest.
In 1242 verleende graaf Willem II van Holland de heerlijkheid Oegstgeest aan ene Diderik van Oegstgeest. Het huidige gemeentewapen, een schild van goud beladen met een rood ankerkruis, herinnert nog aan de Heren van Oegstgeest.
Door vererving via de geslachten Van Cuyck en Utenwaerde kwam de heerlijkheid in 1342 in het bezit van de Heren van Wassenaer, burggraven van Leiden. Zij verkochten hun rechten in 1615 aan de stad Leiden. Vanaf dat moment traden 'burgemeesters en regeerders der stadt Leyden' op als ambachtsheren van Oegstgeest.
Bestuurd door Leiden
Leiden verkreeg daarmee de hoge en lage rechtspraak en het recht van benoeming of bevestiging van ambtenaren als de baljuw, de schout, de secretaris, en van schepenen, weesmannen en ambachtsbewaarders. Ook had Leiden bemoeienis met de benoeming van de predikant en de kerkmeesters.
Zelfstandige gemeente
Na de omwenteling van 1795 werden de heerlijke rechten afgeschaft. Oegstgeest kon zich gaan ontwikkelen tot een zelfstandige gemeente. De gemeenteraad van Leiden besloot in 1849 wat er nog over was van de heerlijkheid te verkopen. De nieuwe eigenaar werd jonkheer D.Th.Gevers van Endegeest.
Burgemeesters en raadhuizen vanaf 1813
De burgemeesters die na de Franse tijd vanaf 1813 in Oegstgeest benoemd werden, bestuurden ons dorp vanuit het oude raadhuis aan de huidige Wijttenbachweg. Zij werden bijgestaan door assessoren of wethouders.
Vooral de burgemeesters Jacob Willem de Malnoë van Noort en Hendrik Derk Terwee vallen op vanwege hun lange ambtstermijnen van respectievelijk vierendertig (1815-1849) en tweeënveertig jaar (1853-1895). In de vier tussenliggende jaren was Jonkheer Karel Adriaan Theodoor Gevers één van de jongste burgemeesters uit de Oegstgeester geschiedenis. Hij was pas vierentwintig jaar toen hij benoemd werd en woonde nog bij zijn ouders op Rhijngeest.
Burgemeester De Kempenaer (1895-1900) nam het initiatief voor de bouw van een nieuw gemeentehuis aan het Wilhelminapark. Hier zetelden zijn opvolgers Van Griethuijsen, Van Gerrevink, Baumann, Du Boeuff, Van Eysinga en Scheenstra.

In 1998 werd de voormalige Jelgersmakliniek aan de Rhijngeesterstraatweg tot gemeentehuis verbouwd en in gebruik genomen. Els Timmers-van Klink werd in november van datzelfde jaar de eerste vrouwelijke burgemeester van Oegstgeest.
Grondgebied en grenzen
De ambachtsheerlijkheden Oegstgeest en Poelgeest besloegen vele eeuwen lang een aanzienlijk groter gebied dan de huidige gemeente. Leiden werd begrensd door zijn wallen en singels. Direct daarbuiten begon het grondgebied van de omliggende dorpen, waarvan Oegstgeest er één was.
Annexaties door buurgemeenten
Tot 1896 liep de grens tussen Oegstgeest en Leiden langs de Morssingel. Het gebied bij de Maredijk, de Hoge en Lage Mors en de buurt bij het station hoorden bij Oegstgeest. Wanneer hooggeplaatste personen Leiden bezochten, dan kwamen zij met de trein aan op Oegstgeester grondgebied en moest de Oegstgeester burgemeester hen begroeten. In 1896 kwam de grens bij de Posthof, bij de Wassenaarseweg, te liggen.
Al snel na 1896 wilde Leiden opnieuw een gedeelte van Oegstgeest annexeren. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liepen de plannen vertraging op, maar in 1920 moest een volgend stuk aan Leiden worden afgestaan. De grens liep nu langs de Nachtegaallaan-Warmonderweg. Tevens ging een gedeelte van de Mors over naar Leiden. Geregeld koesterde Leiden plannen voor algehele annexatie van Oegstgeest, maar zover kwam het niet.
Wel werd Oegstgeest in 1966 voor de derde keer gekortwiekt. Het grootste deel van de Broek- en Simontjespolder ging over naar Leiden. Daar is nu de Merenwijk gebouwd. Ook de rest van de Mors werd Leids grondgebied.
Aan de noord-westzijde kreeg Rijnsburg een groot stuk grondgebied. Vroeger vormde de Sandtlaan de grens tussen Oegstgeest en Rijnsburg. Nu werden de Oegstgeester buurten 'De Bazar' en 'De Rijsjes' aan Rijnsburg toebedeeld.
Bebouwing
Losse kernen
Oegstgeest bestond lang uit verschillende losse kernen:
- de Mors (later geannexeerd door Leiden)
- de Bazar (later geannexeerd door Rijnsburg)
- de Rijsjes (later geannexeerd door Rijnsburg)
- de Kerkbuurt of het Oude Dorp (bij het Groene Kerje)
- de Leidse Buurt, onderverdeeld in de Pen (bij de Beukenhof) en de Punt (bij het kruispunt Rhijngeesterstraatweg-Geversstraat)
- de Poelgeesterbuurt of de Kwaak (bij kasteel Oud-Poelgeest).
Tussen deze buurten waren hooguit wat verspreid liggende huizen en boerderijen te vinden.
Forensenplaats
Pas rond 1900 begon men de tussenliggende gebieden te bebouwen. Oegstgeest werd geliefd als forensenplaats. Eerst werd het Wilhelminapark bebouwd, rond 1915 het Prins Hendrikpark. Daarna ging het snel: het Julianapark, Oranjepark en Emmapark werden in de twee volgende decennia volgebouwd.

In de jaren vijftig en zestig werden nieuwe wijken gebouwd bij de Grunerie en tussen de Emmalaan en de Lange Voort. In de jaren zeventig bereikte men het Oegstgeester Kanaal. Daarna werd het gebied ten noorden van het kanaal in exploitatie gebracht en verrezen Haaswijk en de Morsebel.
Wanneer op afzienbare termijn ook de nieuwste wijken Poelgeest en Nieuw-Rhijngeest volgebouwd zullen zijn, is er sprake van één aaneengesloten Oegstgeest.
Infrastructuur
Van rijksstraatweg tot A44
De eeuwenoude hoofdverbinding Haarlem-Den Haag liep via de huidige Haarlemmerstraatweg, Dorpsstraat, Rhijngeesterstraatweg en Endegeesterstraatweg. Aan het begin van de negentiende eeuw werd deze route opgewaardeerd tot rijksstraatweg. Het steeds groeiende verkeer moest zich hierover dwars door Oegstgeest persen. De situatie verbeterde pas in 1934 met de aanleg van rijksweg 4, de voorloper van de A44.
Afsplitsingen van de hoofdweg vormden de Lageweg of Lijtweg (Wijttenbachweg, Terweeweg), de straatweg naar Leiden (Geversstraat, Leidsestraatweg, Rijnsburgerweg) en de Groene Steeg (Oude Rijnzichtweg, Rijnzichtweg, Rijnsburgerweg).
Haarlemmertrekvaart en Oegstgeester Kanaal
Door de slechte toestand van de wegen vond veel vervoer plaats over water. Kleine fabriekjes vestigden zich in de negentiende eeuw dan ook bij voorkeur langs de Rijn. Al in 1657 was door de steden Leiden en Haarlem de Haarlemmertrekvaart gegraven.
In verband met de drooglegging van het Haarlemmermeer werd in 1840 de Vliet vergraven tot het Oegstgeester Kanaal. De komst van de meer dan honderd arbeiders, die het graafwerk moesten verrichten, zorgde voor heel wat beroering onder de plaatselijke bevolking.
Trein en tram
In 1842 werd het tracé voor de spoorbaan Haarlem-Rotterdam aangelegd. Het Leidse station stond jarenlang op Oegstgeester grondgebied. Omdat men ook binnen de regio behoefte kreeg aan betere verbindingen, werden in de jaren tachtig van de negentiende eeuw de eerste interlokale stoomtramlijnen geopend. Twee lijnen gingen vanuit Leiden door Oegstgeest: één naar de bollenstreek en Haarlem, de andere richting Rijnsburg en Katwijk.

Sinds de laatste tram in 1960 reed, wordt het openbaar vervoer door busdiensten onderhouden.
Karakteristieke gebouwen
Groene of Willibrordkerk
Op de plaats waar Willibrord in de achtste eeuw het eerste Oegstgeester kerkje gewijd zou hebben, staat nu de (hervormde) Groene of Willibrordkerk. De huidige vorm gaat terug tot de veertiende of vijftiende eeuw, al werd de kerk bij het beleg van Leiden in 1574 grotendeels verwoest. In 1663 ging men tot definitief herstel van de kerk over. De toren, die in 1574 wel gespaard was gebleven, moest in 1830 wegens bouwvalligheid afgebroken worden.
Katholieke H. Willibrord kerk
Aan de Rhijngeesterstraatweg verrees in 1901 de katholieke kerk van de H. Willibrord. De architect was J.Th.J. Cuypers. Naast dit kerkgebouw ligt nog de voormalige pastorie uit de achttiende eeuw.
Kasteel Endegeest
Kasteel Endegeest werd voor het eerst vermeld in 1307. In het midden van de zeventiende eeuw was het kasteel tijdelijk aan de Franse wijsgeer René Descartes verhuurd. In 1800 werd Endegeest aan mr. D.C. Gevers verkocht. Zijn zoon kocht in 1849 de heerlijkheid Oegstgeest van de stad Leiden. Een neef, die het kasteel uiteindelijk erfde, verkocht Endegeest in 1896 aan Leiden. Leiden vestigde er een krankzinnigengesticht in.
Kasteel Oud-Poelgeest
Oud-Poelgeest werd omstreeks 1667 herbouwd op fundamenten, die waarschijnlijk dateren uit de dertiende eeuw. De Leidse hoogleraar Hermanus Boerhaave kocht de buitenplaats in 1724. De torentjes werden in de tweede helft van de negentiende eeuw aangebracht. Ook het koetshuis dateert van die tijd. In 1940 kocht de gemeente Oud-Poelgeest. Nu is er een congreshotel in gevestigd. Oud-Poelgeest werd vroeger ook wel Alkemade of Arenstein genoemd.
Verdwenen gebouwen
Veel buitenplaatsen zijn in de loop der tijden verdwenen of ingrijpend veranderd, zoals Abtspoel, de Hoogenboom, Haaswijk, Duinzicht of de Grunerie. De kastelen Endegeest en Oud-Poelgeest werden in 1574 bij het beleg van Leiden verwoest en naderhand weer opgebouwd.
Andere vermeldenswaardige gebouwen
Vermeldenswaardige gebouwen zijn nog:
- 'Middegeest' in de Dorpsstraat
- de voormalige hervormde pastorie achter de Groenhoevelaan
- 'De Voscuyl', 'Klein Curium', de voormalige Jelgersmakliniek, waarin nu het gemeentehuis gevestigd is en de villa 'Rhijngeest' aan de Rhijngeesterstraatweg
- 'Schoutenburg'
- 'Toorenvelt' en het oude raadhuis aan de Wijttenbachweg
- 'Actaea' en 'Ora et Labora' aan de Terweeweg
- 'De Olmen' aan de Geversstraat
- de voormalige tolgaarderswoning met tolhek aan de Haarlemmertrekvaart
- de wipwatermolen bij de Lange Voort




